Column | Bas van Brecht 🇸🇪 – vluchtige beschouwingen over Nederland
Bas van Brecht is een Nederlander in Zweden. Oprichter van The Nordic Dutchman en vader van Anna en Sam. Hij struint bossen, meren en bergen af op zoek naar verhalen, maar ligt net zo lief op de bank met een Scandinavisch boek of de nieuwste Nordic noir. In deze column deelt hij zijn bevindingen.
Is Nederland veranderd? Hoe is het ook alweer om er te leven? Ben ik het na zes jaar afwezigheid gaan idealiseren?
Begin mei stap ik in Stockholm met die onderzoeksvragen, mijn gezin en veel te veel bagage het vliegtuig in. De motoren draaien, de bagagebakken boven onze hoofden klikken dicht.
Twee maanden Nederland staan op het programma. Lang leve het Zweedse ouderschapsverlof. Na de geboorte van onze Sam kregen we van de Zweedse overheid 480 verlofdagen om onderling te verdelen. Hét moment om weer eens wat langer terug te gaan naar het land dat ik zes jaar geleden verliet.
De afgelopen jaren ben ik natuurlijk regelmatig terug geweest, maar altijd voor een weekprogramma volgepropt met familie- en vriendenbezoekjes. Een schema waarvoor zelfs staatsbezoekkoning Willem-Alexander zijn koninklijke hoed diep zou afnemen.
Stoelriemen vast, we naderen Amsterdam.
De eerste stap naar buiten. Die wind! Ik was hem alweer bijna vergeten. De eeuwige wind waaraan bijna niet valt te ontsnappen. Er bestaat geen slecht weer, alleen slechte kleding, luidt een Zweeds gezegde. De bedenker ervan is duidelijk nooit in Nederland geweest.
Vlug de supermarkt in. Ik ben thuis.
Nootjes van Duyvis, een zak Venco-drop, Calvé-pindakaas. Een zakje voorgesneden champignons en uitjes in de mand. Dat scheelt weer tijd in een dagplanning die sinds de komst van een jengelende baby behoorlijk vacuüm is gezogen.
Verder door de paden. Eén- en tweepersoonsporties. Waarom heeft Zweden dit toch niet? Nergens wonen zoveel mensen alleen, maar familieverpakkingen zijn de norm.
Verspakketten: alles in één doos, wel zelf even snijden, niet zelf al te veel nadenken.
‘Voor bij de borrel’: keuze uit 844 soorten kaasjes, toastjes, gevulde mini-paprika’s, blokjes kaas, pittige gehaktballetjes en pepertjes met roomkaas. En het flesje wijn halen we gewoon in dezelfde supermarkt. Hier geen staatsmonopolie op sterke drank.
Een praatje niets met de cassière bij het afrekenen. ‘Spreken is zilver, zwijgen is goud’ kan hier uit het spreekwoordenboek. In Nederland wint praten altijd.
Dat wordt dan € 195,60, meneer.
Oef.
Zweden is duur, zegt men. Een fabel uit het verleden.
Met twee boodschappentassen Nederlandse heerlijkheid stap ik de tijdelijke remigratie in.
De wind gaat liggen, de zon breekt door.
Staand op een paddleboard in de Utrechtse kanalen peddel ik langs volle terrassen, bootjes met technobeats en Hollandse meezingers uit een café.
De stad waar ik mijn hele volwassen leven doorbracht broeit, leeft en schaamt zich er niet voor om te genieten. Ik geniet mee.
Op de heenreis vond ik op het vliegveld een boek dat de Nederlander op de kaft typeert als ‘een genotzuchtige individualist’. Treffend. Al zijn ‘we’ verdomd goed in collectief genieten.
Een motorbootje vaart voorbij. Twee benen bungelen nonchalant over de bootrand, een biertje in de hand, een meezinger uit een draagbare speaker én uit volle borst meezingen.
Dit is Nederland.
Op de fiets door de wijken krijg ik overal voorrang. Hier maakt de fietser de dienst uit. Honderden fietsers krioelen door elkaar, als een mierenkolonie. En dat zonder helm.
Ik fiets langs schooltassen aan vlaggenmasten en een enkel oranje versierd huis. Het WK komt eraan. Tegen Japan geven we het in de laatste minuten weg. Die wissels! Achttien miljoen meningen, iedereen moet ze horen.
Een herkansing. Nederland-Zweden op een groot scherm in de kroeg. De hele stad zwanger van Oranje: volle terrassen, schermen op pleintjes, André Hazes als soundtrack van de dag. Arme Zweden. 5-1, zegt het voort! De wereldbeker is van ons. We hoeven hem alleen nog maar even op te halen.
Van Zweden naar zweten.
Hittegolf. 35 graden. Elke stap is er een te veel. 21 graden in de nacht. De nacht plakt. Puffen, zuchten, zweten, woelen, draaien.
Een nieuwe dag. Onder een terrasparasol zie ik vrienden van vroeger. Oud en vertrouwd. Bittergarnituurtje doen? Goed plan. Zitten er ook vlammetjes in? Graag wat mayonaise erbij. Texels schuim in een glas. Een paar uurtjes meningen geven over alles en niets.
Nederland schuifelt voorbij. Op zijn David Attenboroughs bestudeer ik die wonderlijke Nederlanders. Een nonchalance in de lichaamshouding. Deze ruimte is van mij. Open blikken die niet wegschieten bij contact.
Familie wacht.
“Wat is Sam al groot geworden.” “Ome Bas, gaan we stoeien?” Een kipspies en hamburgers op de barbecue, satésaus in een pannetje. Stoelen worden bijgeschoven, borden doorgegeven en iemand vraagt of er nog stokbrood is.
In de auto met mijn ouders naar het strand. De snelweg slingert tussen velden en polders. Om de vijf minuten een stad of dorp. Alles en iedereen altijd dichtbij. Brede zandstranden, rumoerige beachclubs, zoute zeelucht. Kibbeling op het strandbed en kwallen in de branding.
Oranje gaat door.
De wekker om 2.45 uur. Het bed uit, een oranje shirt om de schouders, zweet in de handen. Het zal toch niet?
Verlenging, de dag verdrijft de nacht. Zijn we er toch weer ingetuind. Strafschoppen. We kunnen daar toch op trainen? Luid getoeter dringt de woonkamer binnen vanuit de Utrechtse straten. Een deel van Nederland juicht. Bij ons blijft het stil. Oranje gaat naar huis.
Ik over een week ook. Terug naar Zweden.
Hoe zou het daar eigenlijk zijn? Wat heb ik allemaal gemist? Een zacht verlangen zwelt aan. Waarnaar eigenlijk?
O ja. Die rustige, vriendelijke, lieve Zweden. Spreken is zilver, zwijgen is goud. Een Zweedse zomeravond, op een boot naar een eiland, klotsend water tegen de romp, de zon die zakt, de hitte die verdwijnt, een vestje aan.
Een wandeling door het bos naast onze deur, alleen met mijn gedachten. Groeten hoeft niet. Loslopende reeën in bos en wijk. Mijn favoriete speciaalbiertje van een Zweedse microbrouwerij bij de staatsslijterij. Vrienden uit alle windhoeken van de wereld.
En dan, over een paar maanden, mag ik Nederland weer missen.

